Regelgeving op de warmtemarkt: RED II/III, EEG/GEG & richtlijnen
Wie vandaag de dag een verwarmingsoplossing ontwerpt, houdt zich allang niet meer alleen bezig met de techniek, maar vooral met de randvoorwaarden. Want of een concept als toekomstbestendig wordt beschouwd, of het wordt gesubsidieerd, in de balans wordt opgenomen of überhaupt wordt geaccepteerd, hangt steeds sterker af van regelgeving. Juist hier grijpen Europese voorschriften zoals de RED II/III in op nationale regelgeving zoals de EEG en de GEG – en plotseling is niet alleen het rendement bepalend, maar ook de herkomst, de verificatiemethode, de kostenontwikkeling op lange termijn en de broeikasgaswaarde. Maar of biomethaan klimaatneutraal is, hangt af van balansgrenzen, normen en de emissiebeoordeling over de gehele keten. Biomethaan kan zeer lage broeikasgaswaarden bereiken, maar geloofwaardigheid ontstaat alleen door transparantie en betrouwbare bewijzen.
EU-kader: wat RED II/III betekent voor biomassa, biogas en biomethaan
RED II/III is meer dan alleen een politieke doelstelling. Voor hernieuwbare gassen stelt de richtlijn duidelijke eisen aan wanneer een energiebron als hernieuwbaar wordt erkend en hoe duurzaamheid en broeikasgasreductie moeten worden aangetoond. Wie biomethaan wil gebruiken, merkt al snel: niet alleen de ‘groene’ molecule is doorslaggevend, maar de hele keten erachter – van de grondstoffenbasis via de verwerking tot en met de documentatie.
Juist daarom is het verschil tussen biogas enbiomethaan zo belangrijk. Biogas ontstaat door vergisting en bevat naast methaan ook CO₂ en bijproducten. Biomethaan is opgewerkt biogas van aardgaskwaliteit. Juist dat maakt het interessant voor de praktijk, omdat het in bestaande gasnetten kan worden ingevoerd en op dezelfde manier als aardgas kan worden gebruikt.
Dat roept al snel de vraag op: gasverwarming op biomethaan – kan dat werken? Kan een gasverwarming in bestaande gebouwen zo een brug vormen naar de klimaatdoelstellingen? In principe kan biomethaan fossiel aardgas vervangen – maar alleen als de beschikbaarheid, contractmodellen en certificering duidelijk zijn geregeld en het wordt ingezet op plaatsen waar elektrificatie niet eenvoudig of niet onmiddellijk mogelijk is, bijvoorbeeld bij piekbelastingen of in bepaalde bestaande gebouwen.
GEG 2020: wat verandert er – en waarom deze vraag belangrijk blijft:
Op het gebied van gebouwen bepaalt de GEG het kader. In de praktijk is niet zozeer de kop van het nieuws doorslaggevend, maar wel de logica achter de naleving: aan eisen moet aantoonbaar worden voldaan, vaak door een combinatie van efficiëntie, het aandeel hernieuwbare energie en passende bevoorradingsconcepten. Wie hier al in een vroeg stadium systemisch denkt, vermindert de projectrisico’s.
Een andere drijvende kracht werkt stiller, maar is zeer merkbaar: de BEHG. De nationale CO₂-prijs verandert de rendabiliteitsberekeningen, omdat fossiele brandstoffen in het gebruik doorgaans duurder en risicovoller worden. Daardoor worden alternatieven aantrekkelijker – en ook biomethaan kan in bepaalde scenario’s economisch relevanter worden, mits de wettelijke erkenning is gewaarborgd.
Daarnaast verandert de gemeentelijke warmteplanning de kijk op projecten. Vaak wordt hiervoor de afkorting WPG (Warmteplanningswet) gebruikt . Warmte wordt sterker ruimtelijk benaderd: wijken, netwerken, lokale bevoorradingsstrategieën. Juist hier wordt WPG Biogas relevant, omdat het potentieel van biogas en biomethaan regionaal sterk verschilt en in lokale plannen ofwel doelgericht kan worden benut, ofwel over het hoofd kan worden gezien.
Kortom: RED II/III, EEG, GEG, BEHG en WPG zijn onderling met elkaar verweven. Wie deze wetten in een vroeg stadium in samenhang beschouwt, kan oplossingen ontwikkelen die niet alleen technisch werken, maar ook regelgevend houdbaar blijven – en juist dat is bij de warmtetransitie steeds vaker bepalend voor succes of stilstand.
Stand: januari 2026